Als je iets “voelt” dan gebeurt dat in je hersenen. Je hersenen leren als je klein bent om dingen te voelen. Als je bijvoorbeeld snoepjes krijgt dan weten je hersenen dat dat lekker is omdat je geleerd hebt dat snoepjes een fijn gevoel geven op je tong en in je keel. Elke keer als je nu snoepjes ziet dan denken je hersenen “hmm dat is lekker” en dan voel je je blij.

kleuren
Een ander voorbeeld is als je een beetje verlegen bent. Telkens als je iets nieuws doet, of als er veel vreemde mensen zijn dan letten je hersenen heel goed op. Elke keer als dat gebeurt krijg je een bepaald gevoel en als je dat vaak genoeg doet en je merkt telkens dat je een beetje bang of voorzichtig bent bij nieuwe mensen dan voel je je “verlegen”.
Als je iets voelt is dat dus eigenlijk je hersenen die reageren op een bepaalde situatie. Irene is blind, maar haar hersenen leren wel net zoals jouw hersenen. Als Irene bijvoorbeeld aan rood denkt dan “voelt” dat warm omdat wij, door met haar te praten, verteld hebben dat rood soms gevaarlijk is, of heet, of warm. Met een moeilijk woord heet dat “associëren”. Wij associëren de kleur rood met iets wat we gezien hebben met onze ogen, maar Irene associeert rood met dingen die ze voelde toen wij over rood praatten. Zien of voelen is in de hersenen eigenlijk niet zo heel erg verschillend. De hersenen leren dat bepaalde dingen bij elkaar horen en geven daar een gevoel bij.
loading...
loading...










